We zijn iets “dialoog” gaan noemen waarin niemand meer luistert
Door Edward Jansen — ergens onderweg is de afspraak gesneuveld dat een gesprek pas een gesprek is wanneer er twee mensen aan deelnemen. Het woord bleef. De praktijk niet.
De openingsleugen
Het begint altijd met dezelfde uitnodiging. “Laten we erover praten.” “Laten we in dialoog gaan.” “Laten we elkaar proberen te begrijpen.” Klinkt redelijk. Voelt redelijk. Is het niet. Want de uitnodiging gaat uit van een aanname die op het thema gender allang niet meer klopt: dat beide partijen de woorden van de ander zullen horen als woorden. Dat is niet zo. De een hoort woorden, de ander hoort vonnissen. Dat is geen gesprek meer — dat zijn twee monologen op een gedeelde stoel.
Wat de tweede deelnemer werkelijk doet
Voor de vraagsteller is het thema een onderwerp. Een beleid om te bespreken, een wet om te wegen, een richtlijn om te toetsen. Voor de aangesprokene is het thema vaak iets heel anders: een fundament. En een fundament bespreek je niet, dat draag je. Wanneer iemand er kritisch tegenaan tikt, voelt dat niet als een vraag maar als een hamerslag. Dat is geen overdrijving van de aangesprokene. Dat is hoe het in het lichaam aankomt — en het lichaam reageert sneller dan de redenering.
Wat dan ontstaat is geen weerwoord, maar een verdedigingshouding. En de absurditeit zit hierin: we noemen die verdedigingshouding vervolgens “onwil om in gesprek te gaan” en gebruiken die etikettering als bewijs van moreel ongelijk. We verklaren iemand schuldig aan een gesprek dat hij niet eens kon voeren omdat we hem net hebben overvallen met een hamer.
De biologie die niemand wil noemen
Er is ook nog een nuchterder verklaring, en die wordt nooit genoemd omdat ze geen kant uitvalt waar iemand stemmen op kan winnen. Een mens die zich aangevallen voelt, krijgt op datzelfde moment minder toegang tot het deel van zijn brein waarmee hij rustig kan redeneren. Dat is geen karakterkwestie, geen ideologie, geen vooringenomenheid. Dat is hoe een zenuwstelsel werkt. Hoe vaker je dat punt overschrijdt, hoe verder de redenering wordt teruggedrongen. Wie het gesprek voortzet door hárder te dringen, krijgt geen helderder gesprekspartner. Hij krijgt een nog minder denkende.
De absurditeit is dat de aanhouder denkt: ik dring door tot er een antwoord komt. Het tegendeel gebeurt. Hoe meer er gedrongen wordt, hoe ondoorzichtiger het antwoord. En vervolgens wordt die ondoorzichtigheid weer gebruikt als bewijs dat de andere kant niets te zeggen heeft.
Het klimaat heeft het gesprek vooraf vergiftigd
Niets van dit alles speelt zich af in een vacuüm. Beide gesprekspartners komen de kamer in met een vooringeladen klem. De aangesprokene heeft jaren gehoord dat een kritische vraag een aanval op zijn bestaan is. De vraagsteller heeft jaren gehoord dat hij een transfoob is zodra hij zijn mond opent. Beide klemmen zijn geïnstalleerd door dezelfde culturele machine. Dezelfde activisten, dezelfde beleidsstukken, dezelfde sociale-media-dynamiek hebben aan twee kanten een verwachting van vijandschap gemonteerd.
De absurditeit is niet dat het gesprek vervolgens vastloopt. De absurditeit is dat we het klimaat dat de klemmen heeft gemonteerd, blijven aanjagen, en daarna verbaasd doen dat het gesprek niet meer lukt. Een klem ontmantel je niet door harder te klemmen.
De vraagsteller is geen toeschouwer
Een terugkerend trekje van het Nederlandse genderdebat is dat wie kritisch is, zichzelf als “degene die de rede vertegenwoordigt” positioneert. De ander is dan automatisch “degene die niet kan redeneren”. Dat is een aantrekkelijke positie — ze laat de eigen toonzetting buiten beeld — maar als beschrijving van wat er werkelijk gebeurt klopt ze niet. Ook de vraagsteller maakt keuzes: op welk moment hij zijn vraag stelt, in welk register hij dat doet, of hij het bestaan van de ander erkent voordat hij zijn vraag stelt of pas daarna. Dat zijn keuzes die mee bepalen of er nog wordt geluisterd. Wie ze niet maakt, voert geen gesprek — die zendt uit.
Weigeren is een recht en bewijst niets
En tegelijk: niemand hoeft op iedere kritische vraag in te gaan. Wie er geen behoefte aan heeft zijn leven te verdedigen tegenover elke voorbijganger met een mening, hoeft dat ook niet te doen. Dat is een legitieme positie. Het wordt pas absurd wanneer dat weigeren als bewijs wordt opgevoerd: alsof het feit dat iemand niet wil praten, aantoont dat de ander ongelijk had — of andersom, alsof het zwijgen van de bekritiseerde aantoont dat de kritiek raak was. Een gesloten deur is geen oordeel. Een gesloten deur is een gesloten deur. Wat daarachter ligt blijft onbesloten, en dat is op zich geen schande, alleen geen argument.
Wat dit niet zegt
Niets van het bovenstaande gaat over wie er gelijk heeft. Over puberteitsremmers, over de Cass Review, over de Nederlandse zorg of de conversiewet wordt hier geen inhoudelijk standpunt ingenomen. Wat hier wordt gezegd is alleen: de procedure waarmee we tegenwoordig over die onderwerpen praten, is geen procedure meer. Het is een ritueel. We noemen het dialoog, we voeren het uit alsof het dialoog is, en we eindigen met de bevestiging dat dialoog onmogelijk was. De absurditeit zit in het ritueel zelf.
Wie het gesprek wél wil voeren, doet er goed aan om eerst dat ritueel op te geven. Niet meer doen alsof er twee mensen rustig met elkaar in dialoog zijn wanneer de een een uitspraak over een beleid doet en de ander dat hoort als een uitspraak over zichzelf. Eerst dat misverstand uit elkaar peuteren, dan pas het onderwerp aanraken. Geen garantie op overeenstemming — maar wel het verschil tussen een gesprek dat misschien iets oplevert en een ritueel dat met zekerheid niets oplevert.
Bron
Edward Jansen, Waarom een gesprek over identiteit zo moeilijk te voeren is, genderongemak.nl, 4 juni 2026. genderongemak.nl/gesprek-over-identiteit.