/
Absurditeit/
Indoctrineren voor beginners — de Volkskrant leert je hoe je het bij je kleuter doet
Indoctrineren voor beginners — de Volkskrant leert je hoe je het bij je kleuter doet
Door Edward Jansen — op 9 juni 2026 verscheen in de Volkskrant een column met de vraag hoe je met je kleuter over “gender en gendertransities” praat. Het stuk presenteert zich als opvoedadvies op basis van wetenschap. Het is geen van beide. Het is een ideologische instructie, met twee zorgvuldig geselecteerde “experts”, een verzonnen consensus, een verkeerd geciteerde Kohlberg, een reeks interne tegenspraken die de redactie kennelijk niet meer opvielen, en — als kers op de taart — een boekentip van een auteur rond wie nog maar drie jaar geleden een grote rel speelde.
Punt voor punt.
1. Pim Lammers. Voor kleuters. Zonder één woord toelichting.
“Prentenboeken kunnen daarbij helpen, zoals Het lammetje dat een varken is van Pim Lammers.”
Pim Lammers is dezelfde auteur die in januari 2023 zijn opdracht voor het Kinderboekenweekgedicht teruggaf na ophef over een eerder kort verhaal van zijn hand. De auteur verdedigde dat werk destijds als literatuur; de discussie liep zo hoog op dat hij de opdracht inleverde. Of je die kritiek terecht vond of niet — het was een publiek incident, breed besproken, en het maakte zijn naam controversieel in precies de hoek waar dit Volkskrant-stuk hem aanbeveelt: leesmateriaal voor heel jonge kinderen.
Drie jaar later raadt de Volkskrant zijn werk aan ouders van vier- en vijfjarigen aan, en doet alsof er niets gebeurd is. Geen voetnoot. Geen context. Geen voor- of nawoord. De vraag is niet of Het lammetje dat een varken is in zichzelf een goed of slecht boek is — daarover kun je verschillende kanten op denken. De vraag is hoe een kwaliteitskrant bij een column over “praten met je kleuter over gender” een naam laat vallen waarvan de redactie wist dat hij beladen is, en die belasting weglaat alsof het de lezer niet aangaat.
Het antwoord is simpel: de redactie denkt dat de gemiddelde lezer het niet meer weet. Of, in een minder vriendelijke lezing: ze gokken erop dat lezers die het wél weten en bezwaar maken, kunnen worden weggezet als reactionair. Het is een test, en een belediging.
2. “Sociale besmetting bestaat niet” — gevolgd door de beschrijving van sociale besmetting
De geraadpleegde expert Joyce Endendijk (Universiteit Utrecht):
“Mensen kiezen hun genderidentiteit niet op basis van wat ouders vertellen of wat ze in hun omgeving zien. Die identiteit ontdekken ze zelf. Daar is geen bewijs voor.”
Twee alinea’s verder, dezelfde expert:
“Wel klopt het dat het aantal jongeren dat in transitie wil, toeneemt. De genderzorg heeft meer bekendheid gekregen, waardoor jongeren die worstelen met hun genderidentiteit eerder hulp zoeken.”
Lees dat nog eens. De stelling is: omgeving heeft geen invloed op of jongeren transgender worden. De verklaring voor de explosieve stijging is: meer zichtbaarheid in de omgeving. Dat is hetzelfde mechanisme, met een ander etiket. De expert is het met zichzelf oneens binnen één interview, en de columniste — die hier journalistiek had kunnen bedrijven — laat het staan.
Wat hier wordt afgedaan als “geen bewijs voor sociale besmetting” is precies wat het Verenigd Koninkrijk (Cass Review, 2024), Zweden (Karolinska, 2022), Finland (2020), Noorwegen (2023) en Denemarken hebben geconcludeerd: dat de cohort-stijging onder adolescente meisjes zonder voorgeschiedenis van genderdysforie niet uit te leggen is met “betere bekendheid” alleen. Geen woord daarover in het stuk. De internationale wetenschappelijke heoriëntatie van de afgelopen vier jaar bestaat in deze Volkskrant-column simpelweg niet.
Dat is geen omissie. Dat is een keuze.
3. Kohlberg verminkt — sex stilletjes vervangen door gender
“Rond hun 6de of 7de beseffen kinderen ook dat gender niet verandert door uiterlijk of gedrag. Een jongen die met poppen speelt, wordt daardoor geen meisje.”
Dit is een verwijzing naar Lawrence Kohlbergs klassieke studie uit 1966, A Cognitive-Developmental Analysis of Children's Sex-Role Concepts and Attitudes. Alleen ging Kohlberg niet over gender. Hij ging over sex constancy — het cognitieve besef van een kind dat biologisch geslacht een stabiele eigenschap is, onafhankelijk van kleren, haar, hobby of gedrag. Een jongen die met poppen speelt blijft een jongen. Een meisje met kort haar blijft een meisje. Daar gaat Kohlberg over.
De Volkskrant moffelt het woord sex weg en zet er gender voor in de plaats. Dat lijkt een onschuldige terminologische update, maar het is het tegenovergestelde van wat Kohlberg beweerde. Kohlbergs bevinding zegt namelijk juist dat een jongen geen meisje wordt omdat hij dat voelt. En direct daarna:
“Sommige mensen worden geboren als jongen, maar voelen zich een meisje, of andersom.”
Daar staat het, op papier: een kind moet leren dat geslacht stabiel is én tegelijk leren dat geslacht door gevoel verandert. De cognitieve mijlpaal die het zojuist heeft verworven — dat de werkelijkheid niet wijkt voor het gevoel — wordt diezelfde dag teruggedraaid.
Het is alsof dezelfde column eerst uitlegt dat kinderen op een bepaalde leeftijd begrijpen dat een steen niet zweeft, en vervolgens adviseert om uit te leggen dat sommige stenen wél zweven als ze dat voelen. Een opvoedadvies dat de zojuist verworven realiteitstoets van het kind ondermijnt, is geen voorlichting — dat is desoriëntatie als pedagogische methode. En het is bovendien een misbruik van Kohlbergs naam om die desoriëntatie van wetenschappelijke ruggegraat te voorzien.
4. Foreclosure — een identiteit te vroeg dichttimmeren
Naast Kohlberg bestaat er een hele andere ontwikkelingspsychologische traditie die hier relevant is en in het Volkskrant-stuk volledig ontbreekt: die van Erik Erikson en — binnen zijn kader — James Marcia (1966). Marcia onderscheidt vier identiteitsstatussen, waarvan er één identity foreclosure heet: een identiteit aannemen zonder dat er eerst een fase van exploratie aan vooraf is gegaan. Het kind krijgt het etiket aangereikt, plakt het op, en de exploratie wordt overgeslagen.
Foreclosure is geen randverschijnsel in de literatuur. Het wordt al decennia geassocieerd met een groter risico op latere identiteitsproblemen — onder andere op wat Donald Winnicott het false self noemde: een buitenlaag die het kind opbouwt om zich aan te passen aan de verwachting van de omgeving, terwijl het echte zelf daaronder verdwijnt. Een kind dat op zijn vierde te horen krijgt dat “je misschien wel een jongen voelt terwijl je een meisje bent” en dat het dat etiket zelf moet kiezen, krijgt geen ruimte om te ontdekken — het krijgt een lijst opties om uit te checken.
Daar komt Freud nog bij, met zijn oude maar nog steeds bruikbare beschrijving van de latentiefase: de jaren tussen kleutertijd en puberteit, waarin het kind niet bezig is met seksuele of gender-identiteit maar met kennis verwerven, vriendschappen sluiten, de wereld in kaart brengen. Wie een vierjarige al laat “kiezen” wat haar genderidentiteit is, vroegt iets uit het kind dat er ontwikkelingsmatig nog niet hoort te zijn. Dat is niet vooruitstrevend. Dat is een ouderwetse fout: te hard duwen tegen iets dat nog moet groeien.
5. Wat de Tweede Golf al wist
De feministische beweging van de jaren zestig en zeventig had hier een oplossing voor die niemand meer lijkt te kennen. Voor het meisje dat liever vrachtwagens dan poppen wilde, voor de jongen die in een jurk wilde slapen, voor het kind dat zich niet thuis voelde in het stereotype — was het antwoord niet: dan ben je waarschijnlijk geen meisje meer, of: dan ben je eigenlijk een jongen. Het antwoord was: er zijn veel manieren om een meisje te zijn, en jij bent er één van.
Kies de hobby's die bij je passen. Kies de vrienden, de kleding, de opleiding, het werk dat bij je past. Je hoeft geen “typische jongen” of “typisch meisje” te zijn om een jongen of meisje te blijven. Je bent al goed zoals je bent. Verander niet het kind — verander het beeld van wat een jongen of meisje mag zijn.
Wat de Volkskrant aanbeveelt is precies het tegenovergestelde. Niet het beeld wordt verruimd; het kind krijgt het advies om er een ander etiket op te plakken (trans, non-binair, agender) en eventueel later het lichaam aan dat etiket aan te passen. Stereotiepe sekserollen worden zo niet ontmanteld maar bevestigd: alles wat niet in het stereotype past, telt voortaan als bewijs voor een andere identiteit, niet als bewijs dat het stereotype te eng is.
Dat is geen vooruitgang. Dat is een terugkeer naar essentialisme, vermomd als bevrijding. De Tweede Golf-feministen zouden hun ogen niet geloven.
6. De magische steekproef zonder bron
“Uit een representatieve steekproef onder Nederlandse jongeren van 12 tot 25 jaar blijkt dat ongeveer 0,7 procent van de jongeren transgender is en 2,5 procent zich genderdivers noemt.”
Welke steekproef? Door wie? Wanneer? Welke methode? Welke leeftijdsverdeling binnen 12–25? Geen antwoord. Geen voetnoot. Geen link. Niets.
Een cijfer dat 14 jaargangen op één hoop veegt, van prepuberale 12-jarigen tot afstuderende 25-jarigen, is geen wetenschap maar verhullingstechniek. Want recente Nederlandse data (o.a. Rutgers, CBS, regionale GGD-monitors) laten consistent zien dat de zelfrapportage onder 16- tot 20-jarigen veelvoudig hoger ligt dan onder 12- tot 14-jarigen of 22- tot 25-jarigen. Dat patroon — een scherpe piek in de middelste cohort — is precies wat een omgevings- of peergroep-effect voorspelt en wat een aangeboren-identiteit-model níet voorspelt.
Door dat patroon te middelen tot één getal verdwijnt het bewijs dat de eigen stelling van de column ondermijnt. Dat is geen toeval.
7. De bezorgde moeder wordt weggeframed als hysterisch
De openingsvraag:
“Ze vreest dat haar dochters in verwarring raken… ‘Gaan ze daardoor zelf twijfelen over hun gender of is dat onzin?’”
De moeder vreest. Haar vraag wordt in haar eigen mond gelegd als mogelijk onzin. Voordat één expert iets heeft gezegd, is het frame al gezet: deze ouder is angstig, mogelijk onnozel, en het stuk gaat haar bevrijden van haar achterhaalde zorgen.
Vergelijk hoe de andere kant wordt beschreven:
“Er is niets mis met non-binaire of trans kinderen. Dat is geen teken van ouderlijk falen, ziekte of stoornis.”
Hier geen “vreest”, geen “onzin”. Hier rust, ruimte, autoriteit. De inhoudelijke twijfel van de moeder wordt gepathologiseerd als emotie; de ideologische stelling van de expert wordt gepresenteerd als kalm feit. Dat is geen weging — dat is een keuze van kant, vermomd als verslaggeving.
8. De “experts” zijn één partij
Het stuk citeert twee personen: Antoinette Kroes (Fontys) en Joyce Endendijk (Universiteit Utrecht). Beiden onderzoeken genderontwikkeling vanuit hetzelfde sociaal-constructivistische kader, waarin “genderidentiteit” als zelfgekozen en authentiek geldt en biologisch geslacht als bijkomstig.
Geen kinderpsychiater. Geen ontwikkelingsbioloog. Geen detransitioner. Geen vertegenwoordiger van de gender-critical traditie. Geen Cass Review. Geen Karolinska. Geen Hilary Cass. Geen Riittakerttu Kaltiala. Geen Stella O’Malley. Geen Helen Joyce. Geen enkele stem uit de internationale heoriëntatie die het Tavistock-protocol heeft afgebroken.
Dit is geen wetenschappelijke geruststelling. Dit is een redactieselectie van mensen die hetzelfde standpunt verkondigen, gepresenteerd als “de” wetenschap. Het is precies de truc die in de jaren tachtig met “evenwichtige verslaggeving over tabak” werd uitgehaald — alleen dan met één partij in plaats van twee.
9. “Praten over gender” betekent niet wat het lijkt te betekenen
De column doet alsof “praten over gender” met je kleuter zoiets is als praten over geld of de dood: een algemene levensvaardigheid. In de praktijk blijkt iets specifiekers bedoeld: aan een vierjarige uitleggen dat je geboren kunt zijn als jongen maar “je een meisje voelen”, en dat het tweede leidend is.
Dat is geen neutrale informatie. Dat is een specifieke metafysica — sex is wat de baby toegewezen kreeg bij de geboorte, gender is wat de ziel weet — die in de academische literatuur en in vijf Europese gezondheidssystemen op dit moment hevig wordt bediscussieerd en stelselmatig wordt teruggedraaid. De Volkskrant raadt ouders aan om die metafysica zonder voorbehoud aan hun kleuter mee te geven, en noemt het opvoeding.
Een redactie die werkelijk in “het kind ontdekt zichzelf” geloofde, zou ouders aanraden om níet te kaderen. Maar dat is precies wat de column doet: een specifiek kader installeren, en doen alsof het niets is.
10. Wat de moeder eigenlijk vroeg
Helemaal aan het begin stond de vraag van een echte ouder: gaan mijn dochters zelf twijfelen over hun gender als ik ze hier vroeg over vertel, of is dat onzin?
Het eerlijke antwoord, op basis van de internationale stand van het onderzoek in 2026, is: er zijn serieuze aanwijzingen dat omgeving, peergroep en mediablootstelling wel degelijk meewegen, vooral bij meisjes in de vroege adolescentie. Dat is precies waarom het Verenigd Koninkrijk, Zweden, Finland, Noorwegen en Denemarken hun protocollen voor minderjarigen hebben heroverwogen of teruggetrokken.
Daar komt nog een belangrijk feit bij dat in elke ouder-toegankelijke voorlichting hoort thuis te zijn en dat in dit Volkskrant-stuk wordt verzwegen: in de oudere prospectieve follow-up-studies van kinderen met genderdysforie groeit een ruime meerderheid — in veel cohorten rond de 80 procent — er overheen, mits ze niet vroeg in een sociaal of medisch transitietraject worden geplaatst. Het overgrote deel komt in de adolescentie of jongvolwassenheid tot rust in het lichaam waarin het is geboren, vaak als homoseksuele jongere. Wie die data kent en daarna deze column leest, ziet wat eraan ontbreekt: tijd, ruimte, vertrouwen in de normale ontwikkeling.
De zorg van de moeder is niet onzin. Het is de zorg die ministeries van Volksgezondheid in vijf landen serieus genoeg vonden om beleid op te kantelen. In plaats daarvan kreeg ze: ach welnee, je dochters ontdekken zichzelf, hier is een boekje van een auteur over wie nog maar drie jaar geleden een grote ophef bestond, en de Volkskrant doet alsof ze dat niet weet.
Conclusie
Dit is geen journalistiek. Dit is voorlichting met de stempel van een kwaliteitskrant. Twee experts uit één school, ongedocumenteerde cijfers, een Kohlberg-citaat dat het tegenovergestelde betekent van wat de column ermee wil zeggen, twee interne contradicties die geen redacteur heeft gevangen, een bezorgde moeder die wordt weggezet als angstig, en een boekentip van een auteur waar drie jaar geleden een publieke rel om was — zonder één regel context.
Wat ontbreekt is precies wat een normale opvoedrubriek aan ouders zou geven: ruimte voor twijfel, ruimte voor exploratie, ruimte voor de Tweede Golf-oplossing (verander het beeld, niet het kind), en de eerlijke mededeling dat de overgrote meerderheid van de kinderen met genderverwarring er zonder interventie overheen groeit.
De vraag is niet of de Volkskrant per ongeluk de plank misslaat. De vraag is of een opvoedrubriek die kleuterouders structureel naar één kant duwt, daarmee het predicaat opvoedadvies nog wel verdient — of dat het eerlijker zou zijn om bovenaan het kopje opinie te zetten.
En zolang dat niet gebeurt, mag een lezer zich gerust afvragen wat hier nog meer gebeurt onder de noemer “zo doe je dat”.
Bron
Anna van den Breemer, Praten over gender met je kleuter: hoe doe je dat?, de Volkskrant, 9 juni 2026.