De claim en de voetnoot
'De spijtcijfers zijn laag.' Het is een van de meest geciteerde zinnen in het Nederlandse genderdebat. Maar wie het rapport van de Gezondheidsraad uit 2026 leest — niet de samenvatting, het rapport — vindt een andere boodschap: het aantal mensen met spijt 'kan niet goed worden vastgesteld' vanwege korte follow-upperiodes en aanzienlijke uitval van deelnemers. Definitieve conclusies over spijt of detransitie 'kunnen niet worden getrokken'.
Waarom late spijt niet wordt gemeten
Spijt treedt vaak jaren na de behandeling op — wanneer patiënten de gevolgen van onvruchtbaarheid ontdekken, wanneer de verwachte psychologische verbetering uitblijft, of wanneer de levensomstandigheden veranderen. Studies die mensen alleen kort na behandeling volgen, missen dit volledig. Wie het programma heeft verlaten, verdwijnt uit de dataset. De studie telt alleen de mensen die er nog zijn — survivorship bias, opnieuw.
Wat de Gezondheidsraad zelf zegt
Psychiater Chris Verhagen analyseerde het rapport in detail en constateerde een structurele inconsistentie: de Gezondheidsraad definieert spijt zo dat zelfs wanneer patiënten achteraf spijt hebben, dit niet noodzakelijkerwijs wijst op slechte zorg — zolang de procedures correct zijn gevolgd. Het is een definitie die het systeem vrijwaart van consequenties voor zijn uitkomsten. Dat is geen wetenschap. Dat is institutionele zelfbescherming.
Wat we niet weten
We weten niet hoeveel mensen er spijt van krijgen. We weten niet hoeveel mensen stoppen met hormonen en waarom. We weten niet hoe het gaat met de mensen die afhaken. Dat is niet een reden om te stoppen met behandelen — het is een reden om te stoppen met beweren dat de uitkomsten goed zijn. De eerlijke boodschap is: we weten het niet. Die boodschap wordt niet gegeven.