De centrale aanname van WPATH
Het hart van WPATH's Standards of Care — zowel versie 7 als versie 8 — is een causale aanname: psychische problemen bij genderdysfore jongeren zijn een gevolg van de genderdysforie zelf. Als die dysforie wordt opgeheven via medische affirmatie, verdwijnen ook de psychische klachten. Op deze redenering steunt de volledige behandelcascade van puberteitsremmers naar cross-sex hormonen. Tot 2026 was deze aanname nooit prospectief getoetst met bevolkingsregisters.
Ruuska 2026: 25 jaar Finnish registerdata
De Finse onderzoekster Sanna-Mari Ruuska publiceerde in april 2026 een prospectieve registerstudie onder meer dan 2.000 jongeren, gevolgd over 25 jaar. De uitkomst spreekt de WPATH-aanname rechtstreeks tegen. Bij feminiserende transitie stegen psychiatrische zorgcontacten van 9,8 procent naar 60,7 procent. Bij masculiniserende transitie van 21,6 procent naar 54,5 procent. In beide groepen nam de psychische zorgvraag dramatisch toe na medische behandeling — niet af.
Nederlandse echo: VUmc-psycholoog spreekt
Psycholoog Dorine Sellenraad verliet in 2018 het VUmc-gendercentrum en verklaarde destijds dat jongeren met duidelijke psychiatrische comorbiditeit toch werden doorgestuurd naar puberteitsremmers — op basis van precies dezelfde WPATH-aanname. "De aanname dat dysforie het kernprobleem was, blokkeerde onderzoek naar andere aandoeningen," aldus Sellenraad. De Ruuska-data geven haar achteraf structureel gelijk.
Gevolgen voor richtlijnen en beleid
Als het mechanisme waarop SOC7 en SOC8 rusten prospectief faalt, vervalt ook de risico-batenbalans van de aanbevelingen voor minderjarigen. Amsterdam UMC en Radboudumc, de twee centra die in Nederland het Dutch Protocol uitvoeren, kunnen deze bevindingen niet negeren. De Ruuska-studie vergroot de druk voor een onafhankelijke Nederlandse review — vergelijkbaar met de Cass Review in het Verenigd Koninkrijk — waarbij de werkelijke lange-termijnuitkomsten van het eigen behandelprotocol systematisch worden onderzocht.