Gendergekte / Onderwerpen / Ruuska 2026 falsifieert kernaanname Nederlandse genderzorg — wat doet de Inspectie?

De centrale aanname van het Dutch Protocol

Het Nederlandse model rust op de premisse dat 'psychische problemen voortkomen uit genderdysforie, zodat medische behandeling van de dysforie de psychiatrische problemen oplost'. Deze causale theorie — nooit formeel gevalideerd — is de grondslag van het Dutch Protocol (2006) en de bijbehorende kwaliteitsnormen. Als deze aanname niet klopt, vervalt de rechtvaardiging voor het hele behandelmodel.

Wat de Ruuska-studie laat zien

Bij vrouwelijkmakende behandeling steeg de psychiatrische zorgbehoefte van 9,8% naar 60,7%. Bij mannelijkmakende behandeling van 21,6% naar 54,5%. Het cohort omvatte meer dan 2.000 behandelde jongeren met een controlegroep van circa 17.000 personen en een follow-up van maximaal 25 jaar. Dit is geen klein pilot-onderzoek: het is een van de grootste en langste studies ooit uitgevoerd op dit terrein.

Een waarschuwing die acht jaar werd genegeerd

Psychologe Dorine Sellenraad verliet in 2018 het Amsterdamse gendercentrum en beschreef publiekelijk haar observaties dat psychiatrische comorbiditeit na behandeling bleef bestaan. Haar waarschuwing werd institutioneel genegeerd. De Ruuska-studie bevestigt nu wat zij toen al zag. De vraag is wie er verantwoordelijk zijn voor acht jaar stilstand.

Verouderde richtlijnen, falende Inspectie

De psychologische kwaliteitsnormen dateren uit december 2017, de somatische uit 2018-2019. Het Dutch Protocol zelf is uit 2006 — twintig jaar oud. De Inspectie voor de Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) heeft formeel de taak toe te zien op actuele kwaliteitsnormen. Nu de centrale aanname van het protocol empirisch is weerlegd, rijst de vraag: wanneer grijpt de IGJ in?